Conformiteitsverslag/eerste controleverslag van de school

In hoeverre heeft de school deze nog?

Waar loopt het soms mis in onze scholen.

We moeten eerst de vraag stellen of we van onze installatie een conformiteitsverslag/eerste controle verslag hebben?

Zo niet moeten we dit in orde stellen.

Pas hierna starten de 5-jaarlijkse keuringen van de laagspanningsinstallatie.

Wat is een eerste controle:

De eerste controle van een oude elektrische installatie dient reeds plaats gevonden te hebben. Het doel van deze eerste controle is na te gaan of de elektrische installatie overeenstemt met de bepalingen opgelegd door het KB Oude elektrische installaties. Na de eerste controle wordt een controle verslag opgesteld. Mocht het schoolbestuur reeds beschikken over een controle verslag van een erkend keuringsorganisme, waarin de overeenstemming van zijn elektrische installatie vastgesteld wordt, dan vervalt de eerste controle.

Voor meer info kannen je mailen naar  info@bticonsult.be

Oude installaties (voor 1981)

KB 8/9/2019 (nieuw AREI) 8.3.1.2: verwijzing naar codex boek III titel 2

Codex boek II titel 2 (die 2014 die toen werd uitgesteld tot 1 jan 2019 loopt eigenlijk nog steeds voor zover niet in orde gesteld toen…):

Art. III.2-13.

§ 1. Elke elektrische installatie, bedoeld in artikel III.2-7 (voor 1981), maakt het voorwerp uit van een eerste controle, door een erkend organisme bedoeld in artikel 275 van het AREI.

§ 2. De eerste controle, bedoeld in § 1, wordt uitgevoerd ten laatste op 1 januari 2014.

De eerste controle heeft betrekking op de overeenstemming van de elektrische installatie met de bepalingen van bijlage III.2-1. (zie hieronder)

De eerste controle geeft aanleiding tot het opstellen van een verslag van de eerste controle.

Installaties oud AREI (1981-2020)

KB8/9/2019 (nieuw AREI)  8.3.3.2.1: principe conform aan toen geldende voorschriften = OK

Daarnaast blijft ook Codex geldig: Codex boek II titel 2:

Art. III.2-12.- Elke elektrische installatie, bedoeld in artikel III.2-6 (na 1981), maakt het voorwerp uit van een gelijkvormigheidsonderzoek bedoeld in, naargelang het geval, artikel 270 of 272 van het AREI, door een erkend organisme bedoeld in artikel 275 van het AREI. Wanneer de werkgever in het bezit is van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek, zoals bedoeld in het eerste lid, dan dient voormelde controle niet meer te worden uitgevoerd.

BIJLAGE III.2-1

Minimale voorschriften betreffende de uitvoering van de elektrische installatie bedoeld in artikel III.2-7

1. De elektrische installatie is zodanig uitgevoerd dat de werknemers beschermd zijn tegen de risico’s van rechtstreekse en onrechtstreekse aanraking, tegen de gevolgen van overspanningen te wijten aan inzonderheid isolatiefouten, schakelingen en atmosferische invloeden, tegen brandwonden en andere gezondheidsrisico’s alsmede tegen de niet elektrische risico’s te wijten aan het gebruik van elektriciteit.

Wanneer het niet mogelijk blijkt om voormelde risico’s uit te schakelen door maatregelen inzake het ontwerp of door collectieve beschermingsmaatregelen of om de risico’s op een ernstig letsel in te perken door het nemen van materiële maatregelen, dient de toegang tot deze installatie uitsluitend te worden voorbehouden aan de werknemers waarvan de bekwaamheid gekenmerkt is door de code BA 4 of BA 5 zoals bepaald in artikel 47 van het AREI.

2. De elektrische installatie is zodanig uitgevoerd dat:

1° gevaarlijke lichtbogen en gevaarlijke oppervlaktetemperaturen worden vermeden of de risico’s die er aan verbonden zijn worden beperkt;

2° oververhitting, brand en ontploffing worden vermeden of de risico’s die er aan verbonden zijn worden beperkt.

3.1. Elke stroombaan is beschermd door minstens één beschermingsinrichting, die een over-belastingsstroom onderbreekt vooraleer een opwarming kan ontstaan die schadelijk is voor de isolatie, de verbindingen, de geleiders of de omgeving.

Elke stroombaan is beschermd door een beschermingsinrichting die een kortsluitstroom onderbreekt vooraleer gevaarlijke effecten ontstaan.

3.2. In afwijking van de bepalingen van 3.1., is het toegelaten bepaalde stroombanen niet te beschermen tegen overstroom, mits de voorwaarden en nadere regels bepaald in de artikelen 119, 123 en 126 van het AREI nageleefd worden.

4.1. Met het oog op het uitvoeren van werkzaamheden buiten spanning, moet de scheiding van de elektrische installatie of van individuele stroombanen op een veilige en betrouwbare wijze uitgevoerd kunnen worden.

4.2. De functionele besturing van machines gebeurt op een veilige wijze.

4.3. De gevolgen van spanningsdalingen of van het wegvallen van de spanning en het weder-opkomen ervan brengt de werknemers niet in gevaar.

5. De elektrische installatie is opgebouwd met elektrisch materieel, dat zodanig gebouwd is dat het bij een correcte installatie en correct onderhoud, en bij gebruik volgens zijn bestem-ming, de veiligheid van personen niet in gevaar brengt.

In voorkomend geval voldoet het materieel aan de bepalingen van de besluiten genomen in uitvoering van de communautaire richtlijnen die ter zake van toepassing zijn.

6. Het gebruikte elektrisch materieel is ofwel door zijn constructie ofwel door een bijkomende bescherming, aangepast aan de aanwezige en redelijkerwijze te verwachten uitwendige invloeden en gebruiksomstandigheden.

7. Er wordt rekening gehouden met de eventuele instructies van de fabrikant van het elek-trisch materieel, met betrekking tot de installatie, het onderhoud en het veilig gebruik van dit materieel.

8. In de gevallen bedoeld in de artikelen 261 tot 264 van het AREI signaleert de werkgever de in titel 2 van dit boek bedoelde elektrische installaties overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek

—————————————————————————————————————————————————————————————————————————————————————————

Codex boek II titel 2: Risico Analyse:

Art. III.2-3.- De werkgever voert, overeenkomstig artikel I.2-6 een risicoanalyse uit van elke elektrische installatie waarvan hij de houder is.

De werkgever spoort ten minste de volgende risico’s op en evalueert ze:

1° de risico’s voor elektrische schokken door rechtstreekse aanraking;

2° de risico’s voor elektrische schokken door onrechtstreekse aanraking;

3° de risico’s te wijten aan ontladingen en lichtbogen;

4° de risico’s te wijten aan potentiaalspreiding;

5° de risico’s te wijten aan ophoping van energie, zoals in condensatoren;

6° de risico’s te wijten aan overspanningen ten gevolge van inzonderheid fouten die kunnen ontstaan tussen actieve delen op kringen op verschillende spanning, van het schakelen en van atmosferische ontladingen;

7° de risico’s voor oververhitting, brandwonden, brand en ontploffing, veroorzaakt door de elektrische uitrusting;

8° de risico’s te wijten aan overstromen;

9° de risico’s te wijten aan een spanningsdaling en het wederopkomen van de spanning;

10°de risico’s inherent aan het gebruik van elektrische energie en de werkzaamheden aan elek-trische installaties;

11°de niet elektrische risico’s die te wijten kunnen zijn aan een fout of een slecht functioneren van een elektrische uitrustingscomponent, zoals stuurorganen of stuurstroombanen.

Art. III.2-4.- Bij de evaluatie van de in artikel III.2-3 bedoelde risico’s houdt de werkgever tenminste rekening met de volgende parameters:

1° de spanningsgebieden;

2° de absolute conventionele grensspanning en de relatieve conventionele grensspanning;

3° het systeem van de aardverbindingen;

4° de uitwendige invloeden;

5° de eventuele inplanting van de elektrische installatie in een exclusieve ruimte van de elek-trische dienst zoals bedoeld door het AREI;

6° de eventueel aanwezige andere factoren die de ernst van de risico’s kunnen beïnvloeden, inzonderheid de aanwezigheid van andere elektrische of niet elektrische installaties en vreemde geleidende delen.

Art. III.2-5.- De werkgever treft op grond van de risicoanalyse bedoeld in de artikelen III.2-3 en III.2-4, alle nodige preventiemaatregelen ter bescherming van de werknemers tegen de in artikel III.2-3 bedoelde risico’s, waarbij hij inzonderheid rekening houdt met de parameters bedoeld in artikel III.2-4.

Hiertoe toont de werkgever aan dat de elektrische installatie zodanig is uitgevoerd, zodanig wordt uitgebaat en in stand gehouden dat de werknemers doeltreffend beschermd zijn tegen de risico’s verbonden aan elektriciteit.

De werkgever houdt eveneens rekening met de bepalingen van boek IV.